Casseurs
In tijden van maatschappelijke onrust is bij demonstraties veelal gespuis aanwezig die vernielingen aanrichten. Terwijl duizenden deelnemers hun bezwaren kenbaar maken, worden ruiten ingegooid, auto’s in brand gestoken of winkels geplunderd. Nieuwsbeelden en sociale media leggen die incidenten vaak nadrukkelijk vast, waardoor de oorspronkelijke aanleiding van het protest steeds minder aandacht krijgt.
Het effect is zichtbaar in het publieke debat. Een demonstratie die aandacht moest vragen voor een maatschappelijk probleem, wordt na afloop vooral besproken aan de hand van schade, arrestaties en veiligheidsmaatregelen. De inhoudelijke eisen raken daardoor te gemakkelijk op de achtergrond.
Toch is het te gemakkelijk om alle onrust over één kam te scheren. De meeste demonstranten kiezen bewust voor vreedzaam protest. Zij zijn net zo goed slachtoffer van de vernielingen als de winkeliers achter hun ingegooide etalages. Het gedrag van de casseurs beschadigt de geloofwaardigheid van velen die geweld juist afwijzen.
Over de motieven van losgeslagen vandalen die vernielingen aanrichten, valt zonder concrete informatie weinig met zekerheid te zeggen. Sommigen kunnen handelen uit politieke woede, anderen uit groepsdynamiek, opportunisme of de verwachting dat de drukte van een demonstratie opsporing bemoeilijkt. Ook persoonlijke frustratie kan een rol spelen. Zulke mogelijke verklaringen mogen niet worden verward met vastgestelde feiten, en geen ervan maakt vernieling of geweld aanvaardbaar.
Het onderscheid tussen protest en geweld zou glashelder moeten
blijven. Vreedzaam protest bedreigt de democratie niet; het is een van haar belangrijkste veiligheidskleppen. Burgers moeten de sociale en politieke macht kunnen aanspreken, misstanden zichtbaar maken en gezamenlijk druk uitoefenen zonder als ordeprobleem te worden beschouwd en behandeld. Wie dat recht uit angst voor rellen beknot, straft de meerderheid voor de daden van een minderheid en maakt de democratie armer.
Maar protestvrijheid kan geen vrijbrief worden voor intimidatie, vernieling of geweld. Zodra demonstranten mensen bedreigen, eigendommen beschadigen of hulpdiensten hinderen, raken zij niet alleen de openbare orde, maar ook het recht van anderen om veilig te leven en te werken. Geweld moet daarom consequent en gericht worden begrensd: niet door vreedzame demonstranten collectief te verdenken, maar door grensoverschrijders op basis van aantoonbare feiten en met inachtneming van proportionaliteit ter verantwoording te roepen. Protest beschermen en geweld bestrijden zijn geen tegenpolen; ze houden elkaar overeind.
Misschien moeten we daarom ophouden de casseurs centraal te stellen. Hun vernielingen krijgen veel aandacht, maar zeggen op zichzelf niets over de opvattingen van de overige demonstranten. De relevante vraag is niet alleen hoe een etalage kon sneuvelen, maar ook welke concrete kwestie mensen de straat op bracht en hoe de autoriteiten daarop reageren. Pas als we die vraag serieus nemen én weigeren geweld te normaliseren, krijgen vernielingen minder kans het verhaal te bepalen.
Nu, of het creëren van nieuwe politionele krachten het vuur van de casseurs zal doven, is zowat de vraag.
Wij, de gewone burger, noch Justitie, en politiek hebben er een kant en klaar antwoord op.
Zolang er geen gepaste instellingen met waardige begeleiding van jeugddelinquenten komen staan we machteloos en hitsen we de ‘botsende jeugd’ steeds meer op…



















