Column ‘De Foute Vergelijking’

 

 

Eén onverslijtbaar misverstand

 Rijke Stad of Rijke Inwoners?

Het is een denkfout die je elke dag hoort. “Sint-Martens-Latem is de rijkste gemeente van Vlaanderen, daar wonen dus alleen maar rijken.” Of: “Charleroi is arm, dus iedereen daar is arm.” Het is een logische sprong die intuïtief zou kunnen kloppen, maar in de meeste gevallen volledig onjuist is. De rijkdom van een stad of gemeente is niet de rijkdom van haar inwoners.

 

De verwarring begint met wat we meten. Wanneer we zeggen dat een gemeente “rijk” is, meten we de gemeentekas: inkomsten uit opcentiemen op de onroerende voorheffing, de aanvullende personenbelasting, dividenden uit intercommunales, subsidies en verkoop van gronden. Een gemeente kan rijk zijn omdat er veel bedrijven op haar grondgebied liggen, omdat er een haven is, omdat de grondprijzen historisch hoog zijn, of omdat ze spaarzaam bestuurd wordt.

 

Dat zegt niets over de bankrekening van de bakker, de leerkracht of de gepensioneerde die er woont.

 

Neem de zogenaamde “rijke rand” rond Gent, Brussel of Antwerpen. Ja, het gemiddeld inkomen per inwoner ligt er hoger dan het Vlaamse gemiddelde. Maar dat gemiddelde wordt dramatisch scheefgetrokken. Vijf procent extreem vermogende inwoners trekt het gemiddelde omhoog, terwijl de mediaan – wat de middelste inwoner verdient – veel lager ligt. In diezelfde “rijke” gemeente vind je huurders die 60% van hun loon aan huur betalen, alleenstaanden die op de wachtlijst staan voor een sociale woning, en jonge gezinnen die vertrekken omdat ze geen huis kunnen huren, laat staan, kopen. De gemeente heeft een overschot, de inwoner heeft een tekort.

 

Omgekeerd geldt hetzelfde. Een “arme” stad als Gent of Luik heeft vaak een lage fiscale draagkracht omdat er veel studenten, werklozen en mensen met een leefloon wonen. Maar binnen die stadsmuren wonen ook dokters, advocaten, havenbazen en universiteitsprofessoren met aanzienlijke vermogens. Hun rijkdom zie je niet in de stadsbegroting, want zij betalen hun belastingen federaal en investeren hun vermogen privé.

 

De tweede denkfout is dat we de kosten vergeten. Een gemeente met veel gegoede inwoners heeft vaak ook hoge kosten: dure grond voor scholen, hoge lonen om personeel te vinden, grote villa-wijken die veel onderhoud aan wegen en groen vragen, maar weinig opbrengen per vierkante meter. Een stad met veel sociale woningen krijgt daar dan weer extra subsidies voor. Rijkdom op papier is dus geen koopkracht in de praktijk.

 

Waarom is die vergelijking dan zo hardnekkig? Omdat ze politiek handig is. Het is makkelijk om te zeggen: “Die rijke gemeente moet meer solidair zijn.” Of omgekeerd: “Wij zijn arm, dus de overheid moet ons meer geven.” Het is een moreel etiket dat debatten versimpelt. Het maakt van een complexe fiscale realiteit een simpel verhaal van rijken versus armen.

 

Maar beleid dat vertrekt van die foute vergelijking faalt. Als je denkt dat alle inwoners van Sint-Martens-Latem rijk zijn, ga je er geen betaalbare woningen bouwen. Als je denkt dat iedereen in Charleroi arm is, investeer je niet in cultuur of ondernemerschap dat er wel degelijk leeft.

 

Een gemeente is geen huishouden. Het is een administratieve doos. Haar rijkdom is de som van regels, geschiedenis en grond. De rijkdom van haar inwoners is de som van werk, erfenis, geluk en pech. De twee lijnen kruisen elkaar soms, maar ze zijn nooit identiek.

 

Wie echt wil weten hoe rijk een plek is, moet niet naar het gemeentehuis kijken, maar naar de keukentafel, het wagenpark of de kunstverzameling van de inwoner. De lezer zal vermoedelijk zeggen dat dit volgens de wet op privacy niet kan. Juist en dat maakt de beoordeling moeilijker, ja onmogelijk en  brengt het foute beeld naar de media…

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.